Stokpaard

Zo af en toe moet ik even. Mijn stokpaardje berijden bedoel ik. Niet afhaken nou, want ik heb jullie juist nodig. Ik zou wel eens willen weten nl. of het volgende nou een nieuwe trend is of dat het mij nou ineens begint op te vallen: de retorische vraag die feitelijk geen retorische vraag is. Klinkt nogal vaag, ja. Normaal verwacht je op een retorische vraag geen antwoord, maar dan is het meer bedoeld om hetgeen je vertelt kracht bij te zetten: “Ik ga vandaag voor het eerst parachutespringen. Hoe vet is dat?” of: “Die gast springt bij 3 graden vorst zo de gracht in! Hoe gek ben je dan?” Maar de laatste tijd signaleer ik in interviews steeds vaker deze ‘techniek’: de interviewer tegen de topsporter: “Hoe belangrijk is het dat je je kwalificeert voor de Olympische Spelen?” Met alle respect, maar je weet toch gewoon het antwoord al? Het zou pas echt grappig worden als hij zou reageren met: “Joh, boejuh!” Maar wat ik maar zeggen wil: je kan daar als geïnterviewde toch ook niks mee? Voor de vorm antwoord je nog even: “Ja, héél belangrijk”, maar verder ben je dan ook wel zo’n beetje suf geluld. Let er maar eens op, deze irritante gewoonte neemt hand over hand toe en ik begrijp niet waar het vandaan komt en al helemaal niet wat de toegevoegde waarde van zo’n vraag is!

Een ander irritatiepuntje is het woordje dalijk, waar men dadelijk bedoelt. Nou mag je van mij rustig te berde brengen dat je ook zakdoek schrijft en zaddoek zegt, maar je wilt niet weten hoe vaak ik her en der het woordje dalijk ook gewoon als zodanig geschreven zie!

En deze twitteraar moet volgens mij ook zijn Nederlands nog even bijspijkeren:

Ga je mond spoelen met zeep tampusta!

Tot besluit nog even het jaarlijks hoogtepunt in taalland: de ‘het-woord-van-het-jaar-verkiezing’! Ik ben er nog steeds niet uit welke verkiezing nu de autoriteit is, want Het Genootschap ‘Onze Taal’ organiseert zo’n verkiezing, maar Van Dale Uitgevers doet dat ook en volgens mij zijn er nog wel een paar van die snipperclubjes die zo’n verkiezing organiseren. Onze Taal is er al uit: Participatiesamenleving gaat met de eer strijken om zich woord van het jaar 2013 te mogen noemen, net vóór Pietitie en Socialbesitas, die beiden op een gedeelde tweede plaats eindigden. Gelukkig, wat mij betreft, want die woorden hebben geen eeuwigheidswaarde, zeker Pietitie niet. Over tien jaar weet geen mens meer waar die rel over ging. Althans, dat hoop ik.

Advertenties

Minachting

Vooruit, laten we het er nog eens een keer over hebben: dat Koningslied. We hebben er nu al zó veel over gezegd, geschreven, getwitterd, gezeken en wat dies meer zij, dat mijn betoog er ook nog wel bij kan. Gisteravond is het na veel gezeur dan toch gezongen, al dan niet uit volle borst. En als je nou maar niet al te kritisch bent, zou je kunnen stellen dat het best aardig klonk.

Waarom zoveel kritiek op dat lied? Om te beginnen de muziek: met droge ogen wist meneer Ewbank te melden dat hij die melodie al jaren min of meer op de plank had liggen, ‘omdat hij niet wist wat hij ermee moest’. Pardon!? Er wordt jou dus gevraagd om voor deze heel speciale gelegenheid een lied te componeren en dan worden wij afgescheept met een afdankertje? Je kunt je afvragen of hij hierover niet beter z’n mond had kunnen houden, maar ik denk dat meneer Ewbank met opzet dit leugentje (?) de wereld inslingerde, om zo bij voorbaat alle geruchten te ontkrachten dat deze melodie een kopie zou zijn van het gospelnummer ‘10,000 reasons’ van Matt Redman. Ewbank geeft toe dat de muziek van het Koningslied inderdaad wel gelijkenis vertoont, maar dat dit zuiver toeval is en dat hij deze muziek dus al eerder gecomponeerd had …

Maar dan, de tekst. Je moet toch al wel een heel onderontwikkeld taalgevoel hebben, wil je niet opgemerkt hebben dat die tekst taalkundig gezien – laat ik het netjes zeggen – af en toe niet helemaal lekker loopt. Oké, wij – het volk van Nederland – mochten suggesties inzenden en dan zal het best zo zijn dat er dan bijdrages worden aangereikt waarvan je denkt: dat strookt niet helemaal met de beginselen van de Nederlandse taal. Maar m.i. is het dan toch de taak van die tekstschrijvers om daar vervolgens een mooi kloppend stuk proza c.q. poëzie van te maken? Ik begrijp serieus tot op de dag van vandaag niet wat er in het hoofd van die mensen is omgegaan toen die een regel als

“de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier”

in elkaar timmerden. Of dachten ze wellicht – het niveau van sommige ingezonden suggesties indachtig – dat het gros van de Nederlandse bevolking toch niet in de gaten zou hebben dat hier niks van klopte? En qua metrum bekte dit natuurlijk wel beter dan ‘de dag waarvan je wist dat deze ging komen is eindelijk daar’, dat begrijp ik ook nog wel. Maar kom op zeg, als je als tekstschrijver dit soort concessies doet en het lied vervolgens presenteert als geschenk namens het Nederlandse volk, kan ik het niet anders zien dan dat je datzelfde volk gewoon minacht. Wat denk je nou? ‘Laat toch staan, dat merken ze toch niet’. Nou, dat hebben jullie geweten: dat merken ze heus wel! Het Nederlandse volk is geen hersenloze meute, die kritiekloos alles slikt voor zoete koek.

En dan, als blijkt dat zó veel mensen het niet leuk vinden en massaal kritiek gaan leveren, gaat Ewbank als een klein kind staan stampvoeten en jengelen en zegt in een openbare brief in z’n eigen woorden dat-ie niet meer meedoet. Als argument voert hij aan dat het is om de vele bedreigingen en om alle vuilspuiterij die hem ten deel zijn gevallen. Dat zal best, maar de pot verwijt in dezen de ketel dat-ie zwart ziet, want er zullen inmiddels nog maar weinig mensen zijn die niet weten dat hij een pasgeboren baby doodleuk bestempelt als Chinese naakthond. Waarvoor hij overigens later wel zijn excuses heeft aangeboden. Ook moet gezegd dat verwensingen en zeker doodsbedreigingen wat mij betreft niet thuishoren in de categorie ‘kritiek leveren’, maar anderzijds zou Ewbank zich ook moeten realiseren dat één negatief commentaar altijd langer blijft hangen dan tien positieve kritieken. Bovendien hebben de meeste mensen doorgaans eerder de neiging om hun negatieve gevoelens te laten blijken dan de loftrompet over iets te steken.

Al voordat het lied werd teruggetrokken door de componist opende ik er een topic over op Facebook. Ik slingerde daar de discussie aan met de volgende stelling:

“Je schaamt je toch bijna dat je Nederlander bent? “Met de W van stamppot eten”. Zitten die tekstschrijvers aan de coke? Stom Koningslied …”

De reacties waren divers, hoewel uit de meeste bleek dat ze het lied ook niet zo erg zagen zitten. Er waren er echter ook wel enkelen die vonden dat ik niet moest zeuren, dat het typisch Nederlands was om hierover te zeuren, en dat men het bovendien zo’n leuk initiatief vond. Maar ho, wacht even, dat vind ik ook heus wel! Juist wel! En ik denk dat ik het júist daarom zo slecht hebben kan, dat Ewbank zich eraf maakt met een versje dat hij toch nog had liggen. En ik vertik het toch ten enenmale om een tekst te zingen, waarmee ik me afschilder als een halve imbeciel? Het lied werd tenslotte ook aangeboden mede namens mij. O ja, iemand bracht ook nog te berde dat ik het dan zelf beter had moeten doen. Dat is wat mij betreft ook een slap argument. Als je een auto koopt waarvan de motor het al op de tweede dag begeeft, dan zou je het toch ook raar vinden als de garagehouder tegen je zei: “Tsss … maak zelf eens een betere auto!” Ik bedoel maar: ieder z’n vak.

Maar goed, we gaan weer over tot de orde van de dag. Drie Twee vingers in de neus. Kom op, kom op …

Taaltrends

Ik ben een liefhebber van sieraden, maar ook van taal. In al zijn facetten. Vooral vind ik het erg boeiend dat taal ook onderhevig is aan trends. Een paar jaar geleden was vet bv. nog gewoon dik of een smeermiddel, maar tegenwoordig is vet vooral geweldig en fantastisch, nou ja, gewoon vet! Zo zijn er meer aspecten van de taal die echt typerend zijn voor de huidge tijd.

HUN – Hun als onderwerp in een zin, zoals in “Hun gaan naar de kermis”. Vergeef me, dit is een stokpaardje van mij. Toegegeven, dit is niet iets van de laatste tijd, maar een fout die al jarenlang gemaakt wordt. Maar juist doordat deze fout zo vaak gemaakt wordt, hoor ik de laatste tijd dat enkele lieden willen voorstellen om dit als correct Nederlands te gaan bestempelen. Ik moet er niet aan denken! Ter verdediging wordt aangevoerd dat het bij deze zinsconstructie meteen duidelijk wordt dat het om mensen gaat en niet om voorwerpen. Als je b.v. zegt “Hun liggen op bed” dan zou je meteen weten dat je bedoelt dat er personen op bed liggen en geen lakens. Persoonlijk vind ik dat nogal een slap excuus, want ik meen dan te mogen aanvoeren dat e.e.a. vast wel duidelijk wordt uit de context van het verhaal. En kom op zeg, als je dus maar hardnekkig genoeg dezelfde fout maakt, wordt het vanzelf wel een keer goedgekeurd? Zou een mooie boel worden als dat zo werkt! Dan kun je erop wachten dat we het ook nog wel een keer gaan goedkeuren dat ik morgen jouw auto pik.

KANJER – In mijn woordenboek staat achter het woord kanjer: “iets groots in zijn soort”, en dat is natuurlijk ook gewoon wat het is. Maar tegenwoordig krijg ik minstens een beetje jeuk als ik het woord hoor. Ik krijg ook wel eens te horen dat ik een kanjer ben. Zoals de meeste van mijn lezers weten breng ik door een klein aanlegfoutje de meeste tijd liggend op bed of zittend in een rolstoel door. En let er maar eens op: kanjers zitten vaak in een rolstoel, hebben de een of andere ernstige ziekte of hebben anderszins enige tegenslag in het leven te verduren. Het is natuurlijk ook allemaal heel goed bedoeld en ik weet ook dat ik het als een compliment dien op te vatten, maar er wordt zo kwistig met die “kanjers” gegooid, dat de betekenis van het woord gewoon gedevalueerd is. Ik krijg ook altijd een beetje het ongemakkelijke gevoel dat ik een aai over de bol krijg en als we niet uitkijken betekent kanjer straks niks anders dan “zielenpoot die zo leuk wat van het leven maakt”. Niet meer doen dus. In het vervolg is een kanjer gewoon weer een joekel.

ENGELS ALS HET OOK NEDERLANDS KAN – Vooral de pc-wereld en de reclame maakt zich er schuldig aan. Maar ook in ons dagelijks leven sluipen er ongemerkt steeds meer Engelse woorden ons taalgebruik binnen. Toegegeven: sommige woorden laten zich ook niet handig vertalen, maar soms vraag ik me wel eens af waarom veel mensen er kennelijk zo’n genoegen in scheppen om zoveel mogelijk Engelse woorden te gebruiken? Is dat misschien een misplaatste poging om interessant te doen?  Onlangs las ik in de handleiding van een computerprogramma: “Door te klikken op de buttons in de toolbar van deze feature…”, terwijl je toch ook gewoon zou kunnen zeggen: “Door te klikken op de knoppen in de werkbalk van deze toepassing…”. Je zou bijna denken dat je de handleiding in de verkeerde taal voor je neus hebt. En dat is niet het enige. Op zaterdag gaan we shoppen, terwijl onze ouders gewoon gingen winkelen, vintage is inmiddels ook een volkomen geaccepteerd begrip en social media (“sjoosjol miediea” zoals sommigen plegen te zeggen, maar dat terzijde) zijn zelfs helemaal in ons dagelijks leven geïntegreerd. Helaas betrap ik me erop dat ik mezelf er ook schuldig aan maak, terwijl er vaak genoeg een prima Nederlands alternatief voorhanden is. Een schoolvoorbeeld van hoe het beter kan zijn wat mij betreft onze zuiderburen. Een dashboard heet in Vlaanderen gewoon een boordplank. Even simpel als doeltreffend.

CREATIEF MET TAAL -Is het dan allemaal kommer en kwel? Welnee, ik geniet ook mateloos van de creativiteit die men aan de dag legt, en heb een mateloze bewondering voor mensen die het voor elkaar weten te boksen om dusdanig nieuwe woorden te bedenken, dat de betekenis vaak onmiddellijk duidelijk is. Geweldig vind ik typisch Nederlandse woorden als weigerambtenaar, poldermodel, bedrijfspoedel, gedoogkabinet (het woord suggereert overigens mooiere dingen dan er in werkelijkheid gerealiseerd worden, maar dat terzijde), haatdemocraat, handschudweigeraar en mijn persoonlijke favoriet van dit jaar is toch wel de plaszak! Je weet meteen wat je eraan hebt. Een zak voor zeikerds. Niks meer en niks minder.