Murphy

Tana begon de ochtend al met frisse tegenzin.Ze was er al amper toe te bewegen om me te helpen mijn sokken en pyjamabroek uit te trekken en toen er dus ook nog getraind moest worden met laarzen dicht ritsen zou ik zweren dat ik haar hoorde zuchten. Ik wist haar echter toch zover te krijgen dat ze aan de rits van mijn rechter laars begon te trekken. Helaas slechts twee luttele centimeters dus dat schoot niet op. Laars open en nog eens. Weer een paar centimetertjes en Taan verviel opnieuw in ongeïnspireerd kauwen op het knoopje. Laars open en nog eens. En jawel: laars dicht! Nog eens herhaald en zowaar trok ze hem nog eens dicht. Toen de linker. En dat was volgens mij het moment dat Murphy zich met onze dag begon te bemoeien. Na enig gedraal begon Taantje te trekken, jankte en bleek met haar oren tussen de rits te zitten. Kijk, daar wordt niemand blij van. Dat Taantje het daarna helemaal voor gezien hield behoeft waarschijnlijk geen betoog?
Ik noteerde: oren knippen. Althans, de haren die daaraan hangen.

2016-09-23-14-01-11

Taantjes oren geknipt. Ik vind ’t resultaat niet gek voor een amateur. Daarna zijn we gaan wandelen. Wat een fantastische belevenis weer. Murphy was ook mee. Dus toen we in ’t bos op de kruising van de zandwegen een kindje op een shetlandpony zagen (gelukkig met begeleidster), fluisterde Murphy tegen Taantje: “Pak de pony!” en daar gaf Taantje grif gehoor aan en begon als een dolle om de pony heen te springen. De pony was er gelukkig eentje van het stoïcijnse soort en bleef staan waar hij stond, dus Taantje droop gelukkig af. Ik riep Taan bij me, maar ik bleek gek genoeg veel minder overwicht te hebben dan Murphy. Die stookte nogmaals: “Toe dan, doe nog eens!” en Taantje gehoorzaamde onmiddellijk en daagde nogmaals de pony uit voor een spelletje. Die zag nog steeds niet waarom die grijze krullenbaal zoveel drukte maakte en volhardde in z’n slome gedrag. Uit pure frustratie riep ik nu op dwingende toon (je zou het ook gewoon boos kunnen noemen) Taantje tot de orde en zowaar, ik kreeg de kans om haar aan te lijnen. Na me verontschuldigd te hebben ben ik spoorslags met Taantje omgekeerd en ben elders een bospad met haar ingegaan waar ik haar weer heb afgelijnd. Net voordat we het bos weer uit gingen en op de openbare weg kwamen lijnde ik Taantje weer aan en draaide de Stationsweg op. En kijk eens aan: daar was Murphy ook weer! Ik hoorde aan mijn linkerzijde een flapperend geluid en ik zakte in recordtempo scheef. Jawel! Lekke band! Ik mompelde een paar lelijke woorden, gaf Murphy een denkbeeldige directe rechtse (in gedachten ben ik echt heel daadkrachtig én beestachtig sterk) en belde mijn lief. Die was thuis. Daar had Murphy vast niet op gerekend.

2016-09-23-14-50-16

Stokpaard

Zo af en toe moet ik even. Mijn stokpaardje berijden bedoel ik. Niet afhaken nou, want ik heb jullie juist nodig. Ik zou wel eens willen weten nl. of het volgende nou een nieuwe trend is of dat het mij nou ineens begint op te vallen: de retorische vraag die feitelijk geen retorische vraag is. Klinkt nogal vaag, ja. Normaal verwacht je op een retorische vraag geen antwoord, maar dan is het meer bedoeld om hetgeen je vertelt kracht bij te zetten: “Ik ga vandaag voor het eerst parachutespringen. Hoe vet is dat?” of: “Die gast springt bij 3 graden vorst zo de gracht in! Hoe gek ben je dan?” Maar de laatste tijd signaleer ik in interviews steeds vaker deze ‘techniek’: de interviewer tegen de topsporter: “Hoe belangrijk is het dat je je kwalificeert voor de Olympische Spelen?” Met alle respect, maar je weet toch gewoon het antwoord al? Het zou pas echt grappig worden als hij zou reageren met: “Joh, boejuh!” Maar wat ik maar zeggen wil: je kan daar als geïnterviewde toch ook niks mee? Voor de vorm antwoord je nog even: “Ja, héél belangrijk”, maar verder ben je dan ook wel zo’n beetje suf geluld. Let er maar eens op, deze irritante gewoonte neemt hand over hand toe en ik begrijp niet waar het vandaan komt en al helemaal niet wat de toegevoegde waarde van zo’n vraag is!

Een ander irritatiepuntje is het woordje dalijk, waar men dadelijk bedoelt. Nou mag je van mij rustig te berde brengen dat je ook zakdoek schrijft en zaddoek zegt, maar je wilt niet weten hoe vaak ik her en der het woordje dalijk ook gewoon als zodanig geschreven zie!

En deze twitteraar moet volgens mij ook zijn Nederlands nog even bijspijkeren:

Ga je mond spoelen met zeep tampusta!

Tot besluit nog even het jaarlijks hoogtepunt in taalland: de ‘het-woord-van-het-jaar-verkiezing’! Ik ben er nog steeds niet uit welke verkiezing nu de autoriteit is, want Het Genootschap ‘Onze Taal’ organiseert zo’n verkiezing, maar Van Dale Uitgevers doet dat ook en volgens mij zijn er nog wel een paar van die snipperclubjes die zo’n verkiezing organiseren. Onze Taal is er al uit: Participatiesamenleving gaat met de eer strijken om zich woord van het jaar 2013 te mogen noemen, net vóór Pietitie en Socialbesitas, die beiden op een gedeelde tweede plaats eindigden. Gelukkig, wat mij betreft, want die woorden hebben geen eeuwigheidswaarde, zeker Pietitie niet. Over tien jaar weet geen mens meer waar die rel over ging. Althans, dat hoop ik.

Help, ik wil een hulphond!

En dat is een ambitieus plan, zo kan ik je verzekeren. Veel hobbels en obstakels heb je te overwinnen, alleen al voordat je überhaupt je aanvraag bij de ziektekostenverzekering hebt liggen.

Zo moet er een ergotherapeutisch verslag opgesteld worden. Ergens in die ellenlange vragenlijst t.b.v. dat verslag staat vermeld dat – indien aanwezig – het indicatierapport van het CIZ bijgevoegd dient te worden. Het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) toetst je aanvraag voor een PGB. Toen een paar jaar geleden mijn PGB verlengd werd, kreeg ik alleen het indicatiebesluit toegezonden, maar ongetwijfeld ligt daar ten kantore ook zo’n rapport, dus zou je denken: ritselen we even.

Bij het CIZ hebben ze echter bepaald het buskruit niet uitgevonden. Aanvankelijk vroeg ik telefonisch om een indicatierapport, maar een niet bijster geïnteresseerde mevrouw wist mij te melden dat zoiets schriftelijk – per mail of brief – dient te geschieden. Dus ik stuur een mail. Vervolgens krijg ik dan binnen een half uur een reactie – ik schrik bijna van de snelheid! – dat ik een brief moet sturen, met een ‘fysieke’ handtekening en als ik dat vervolgens doe ontvang ik na drie dagen – in het weekend – een kopietje van … het indicatiebesluit! Ja, die had ik dus al!

Omdat het weekend is, stuur ik maar wéér een mailtje om uit te leggen wat er is misgegaan. Wat dat betreft pakken dat soort instanties het altijd wel handig aan: ik krijg opvallend vaak irriterende post op zaterdag. Ik verdenk ‘ze’ ervan dat ze dat met opzet doen, zodat je tegen maandag enigszins bent afgekoeld óf je gram alleen schriftelijk kunt halen. En papier is geduldig, evenals zijn elektronische evenknie. Goed, een mail dus. Het effect daarvan is dat ik op maandagmorgen uit m’n nest word gebeld door een zijig type, dat meent mij te moeten vertellen dat ik opnieuw een brief moet sturen. – Ja, m’n zuster op een houtvlot! Ja, nee, maar ze ging me nu precies uitleggen wat ik in die brief allemaal moest vermelden. En dit allemaal op het geduldige, zijige toontje van iemand die gewend is om de hele dag met domme cliënten zoals ik om te gaan. En of ik pen en papier bij de hand had? – Nee, daar lig ik doorgaans niet mee in bed. “Doet u maar rustig aan, hoor”, fleemt het op een toon die ongetwijfeld heel goed bedoeld is, maar waarvan ik tamelijk wild word.

Maar terwijl ik naar de kamer hobbel, op zoek naar pen en papier, krijgt ze ineens een inval: ze wil nog even ‘een en ander checken met haar backoffice-collega’ en ze zal me binnen nu en een kwartiertje terugbellen. Zegt ze. En dat doet ze ook. Om me vervolgens te vertellen dat ik inderdaad een prima brief gestuurd had en dat de fout helemaal bij hen lag, waarvoor excuses en dat ze me alsnog dat rapport gaan toezenden.

En dan zeggen ze dat boeren dom zijn. Moet je voor de grap eens proberen een ambtenaar iets uit te leggen.

Minachting

Vooruit, laten we het er nog eens een keer over hebben: dat Koningslied. We hebben er nu al zó veel over gezegd, geschreven, getwitterd, gezeken en wat dies meer zij, dat mijn betoog er ook nog wel bij kan. Gisteravond is het na veel gezeur dan toch gezongen, al dan niet uit volle borst. En als je nou maar niet al te kritisch bent, zou je kunnen stellen dat het best aardig klonk.

Waarom zoveel kritiek op dat lied? Om te beginnen de muziek: met droge ogen wist meneer Ewbank te melden dat hij die melodie al jaren min of meer op de plank had liggen, ‘omdat hij niet wist wat hij ermee moest’. Pardon!? Er wordt jou dus gevraagd om voor deze heel speciale gelegenheid een lied te componeren en dan worden wij afgescheept met een afdankertje? Je kunt je afvragen of hij hierover niet beter z’n mond had kunnen houden, maar ik denk dat meneer Ewbank met opzet dit leugentje (?) de wereld inslingerde, om zo bij voorbaat alle geruchten te ontkrachten dat deze melodie een kopie zou zijn van het gospelnummer ‘10,000 reasons’ van Matt Redman. Ewbank geeft toe dat de muziek van het Koningslied inderdaad wel gelijkenis vertoont, maar dat dit zuiver toeval is en dat hij deze muziek dus al eerder gecomponeerd had …

Maar dan, de tekst. Je moet toch al wel een heel onderontwikkeld taalgevoel hebben, wil je niet opgemerkt hebben dat die tekst taalkundig gezien – laat ik het netjes zeggen – af en toe niet helemaal lekker loopt. Oké, wij – het volk van Nederland – mochten suggesties inzenden en dan zal het best zo zijn dat er dan bijdrages worden aangereikt waarvan je denkt: dat strookt niet helemaal met de beginselen van de Nederlandse taal. Maar m.i. is het dan toch de taak van die tekstschrijvers om daar vervolgens een mooi kloppend stuk proza c.q. poëzie van te maken? Ik begrijp serieus tot op de dag van vandaag niet wat er in het hoofd van die mensen is omgegaan toen die een regel als

“de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier”

in elkaar timmerden. Of dachten ze wellicht – het niveau van sommige ingezonden suggesties indachtig – dat het gros van de Nederlandse bevolking toch niet in de gaten zou hebben dat hier niks van klopte? En qua metrum bekte dit natuurlijk wel beter dan ‘de dag waarvan je wist dat deze ging komen is eindelijk daar’, dat begrijp ik ook nog wel. Maar kom op zeg, als je als tekstschrijver dit soort concessies doet en het lied vervolgens presenteert als geschenk namens het Nederlandse volk, kan ik het niet anders zien dan dat je datzelfde volk gewoon minacht. Wat denk je nou? ‘Laat toch staan, dat merken ze toch niet’. Nou, dat hebben jullie geweten: dat merken ze heus wel! Het Nederlandse volk is geen hersenloze meute, die kritiekloos alles slikt voor zoete koek.

En dan, als blijkt dat zó veel mensen het niet leuk vinden en massaal kritiek gaan leveren, gaat Ewbank als een klein kind staan stampvoeten en jengelen en zegt in een openbare brief in z’n eigen woorden dat-ie niet meer meedoet. Als argument voert hij aan dat het is om de vele bedreigingen en om alle vuilspuiterij die hem ten deel zijn gevallen. Dat zal best, maar de pot verwijt in dezen de ketel dat-ie zwart ziet, want er zullen inmiddels nog maar weinig mensen zijn die niet weten dat hij een pasgeboren baby doodleuk bestempelt als Chinese naakthond. Waarvoor hij overigens later wel zijn excuses heeft aangeboden. Ook moet gezegd dat verwensingen en zeker doodsbedreigingen wat mij betreft niet thuishoren in de categorie ‘kritiek leveren’, maar anderzijds zou Ewbank zich ook moeten realiseren dat één negatief commentaar altijd langer blijft hangen dan tien positieve kritieken. Bovendien hebben de meeste mensen doorgaans eerder de neiging om hun negatieve gevoelens te laten blijken dan de loftrompet over iets te steken.

Al voordat het lied werd teruggetrokken door de componist opende ik er een topic over op Facebook. Ik slingerde daar de discussie aan met de volgende stelling:

“Je schaamt je toch bijna dat je Nederlander bent? “Met de W van stamppot eten”. Zitten die tekstschrijvers aan de coke? Stom Koningslied …”

De reacties waren divers, hoewel uit de meeste bleek dat ze het lied ook niet zo erg zagen zitten. Er waren er echter ook wel enkelen die vonden dat ik niet moest zeuren, dat het typisch Nederlands was om hierover te zeuren, en dat men het bovendien zo’n leuk initiatief vond. Maar ho, wacht even, dat vind ik ook heus wel! Juist wel! En ik denk dat ik het júist daarom zo slecht hebben kan, dat Ewbank zich eraf maakt met een versje dat hij toch nog had liggen. En ik vertik het toch ten enenmale om een tekst te zingen, waarmee ik me afschilder als een halve imbeciel? Het lied werd tenslotte ook aangeboden mede namens mij. O ja, iemand bracht ook nog te berde dat ik het dan zelf beter had moeten doen. Dat is wat mij betreft ook een slap argument. Als je een auto koopt waarvan de motor het al op de tweede dag begeeft, dan zou je het toch ook raar vinden als de garagehouder tegen je zei: “Tsss … maak zelf eens een betere auto!” Ik bedoel maar: ieder z’n vak.

Maar goed, we gaan weer over tot de orde van de dag. Drie Twee vingers in de neus. Kom op, kom op …

Grijs is het nieuwe blond

Het verval slaat toe. Serieus. Had ik vroeger nog wel eens de illusie dat ik redelijk overweg kon met computers en alles wat daaraan hing, tegenwoordig echter krijg ik steeds vaker het gevoel dat we elkaars taal niet meer spreken. Zo heb ik onlangs bij mijn internetprovider een alles-in-een-pakket afgesloten en dientengevolge heb ik een nieuw modem gekregen. Bij het telefonisch afsluiten van e.e.a. had men mij verzekerd dat het installeren van dat modem een fluitje van een cent zou zijn en dat het slechts een kwestie was van het omzetten van een paar stekkertjes. Het jonge ding dat mij dit pakket aansmeerde zag daarbij waarschijnlijk uitbundig over het hoofd dat ze hier te maken had met wat in de media zo gezellig wordt betiteld als een vitale 50-plusser in de bloei van haar leven, maar wat in werkelijkheid natuurlijk niks anders is dan een jongbelegen bejaarde, bij wie het verval zich langzaam doch zeer geniepig steeds meer opdringt. Toen mij dat modem bezorgd werd, trok ik verwachtingsvol die doos open (voor de duidelijkheid: ik heb het nu over de verpakking van het modem, niet meer over dat jonge ding) en wierp aanvankelijk een achteloze blik op het A4’tje met instructies in de veronderstelling dat ik daarop een schemaatje zou aantreffen met een paar stekkertjes en aanwijzingen hoe deze aan te sluiten. Die achteloze blik echter bleek niet voldoende. Maar wat meer was: het meer zorgvuldig bestuderen van de geschreven instructies met daarin veel jargon bezorgden mij al ras vele tientallen jeukende bultjes. Ik besloot maar onmiddellijk te capituleren en belde mijn systeembeheerder en riep op hulpeloze toon zijn assistentie in. Gelukkig gaf hij daar vrij snel gehoor aan en eergisteravond heeft hij dat varkentje even gewassen. Mijn aanvankelijk enigszins gedeukte ego knapte er aanzienlijk van op toen ik constateerde dat zelfs hij er toch minimaal drie kwartier voor nodig had om het zaakje werkend te krijgen. Want behalve dat je de juiste stekkertjes in de juiste gaatjes diende te prikken, bleek het ook noodzakelijk dat bv. mijn printer opnieuw geïnstalleerd werd. Daar werd in die hele handleiding met geen woord over gerept.

En toen startte Jan gisteravond zijn laptop op. Ergens rechtsonder in zijn scherm verscheen een jengelende melding dat hij geen verbinding had met het netwerk. Met mijn opgepoetste ego dacht ik nog hem wel van dienst te kunnen zijn door zijn laptop weer te verenigen met het nieuwe netwerk. Dat was me zelfs – helemaal alleen! – tenslotte ook gelukt met mijn telefoon. Welk een desillusie wederom! Ik was gedwongen om opnieuw mijn nederlaag toe te geven en mailde maar weer eens naar de systeembeheerder en vroeg hem of het echt de bedoeling was dat ik een nieuw netwerk instelde op Jan zijn laptop? Hetgeen door hem bevestigend werd beantwoord. Typisch genoeg verkeerde ook hij kennelijk in de veronderstelling dat ik genoeg had aan deze mededeling. Ik realiseerde me te laat dat het medium e-mail in zoverre tekortschiet, dat bij het verzenden van mijn vraag de begeleidende wanhopige lichaamstaal achterwege was gebleven. Ware dat niet het geval geweest, dan had hij zijn reactie natuurlijk wel vergezeld doen gaan van enige uitleg, hoe zo’n netwerk dan daadwerkelijk in te stellen. Kennelijk wekte mijn in zijn ogen enigszins intelligente vraag bij hem de illusie dat ik wel van de hoed en de rand wist, terwijl de naakte waarheid echter was, dat ik amper van het bestaan van welke hoed dan ook wist. Na veel vruchteloos heen en weer geklik besloot ik er dus toch maar weer een schaamachtig mailtje aan te wagen. Waarna bleek dat het zó simpel was dat het in slechts één zin was uit te leggen … En dan staat er ook nog een tablet-pc op mijn verlanglijstje. Die systeembeheerder houdt zijn hart vast, vrees ik.